In dit hoofdstuk zullen we ons richten op het concept van subordinatie in de Spaanse taal, specifiek met het gebruik van de woorden “que”, “porque” en “cuando”. Subordinatie verwijst naar het verbinden van een hoofdzin met een bijzin, wat ons helpt om complexere zinnen te vormen. Dit is vergelijkbaar met wat we eerder hebben besproken over coördinatie, maar nu gaan we dieper in op hoe we bijzinnen kunnen gebruiken.
1. Gebruik van “que”
1.1 Definitie en functie
Het woord “que” kan verschillende functies vervullen, maar in dit geval dient het als een verbindingswoord dat een bijzin introduceert. Het wordt vaak gebruikt om extra informatie toe te voegen of om verklaringen te geven.
1.2 Voorbeelden
- Hoofdzin + bijzin:
- Ik denk dat hij komt.
- Spaans: Creo que él viene.
- Ik denk dat hij komt.
- Bijvoeglijke zin:
- De auto die ik heb gekocht is blauw.
- Spaans: El coche que compré es azul.
- De auto die ik heb gekocht is blauw.
1.3 Oefening
Vertaal de volgende zinnen naar het Spaans, gebruikmakend van “que”:
- Ik weet dat zij aan het studeren is.
- Hij heeft een boek dat interessant is.
Antwoorden:
- Sé que ella está estudiando.
- Él tiene un libro que es interesante.
2. Gebruik van “porque”
2.1 Definitie en functie
“Porque” betekent “omdat” en wordt gebruikt om een reden of verklaring te geven voor iets dat in de hoofdzin wordt vermeld.
2.2 Voorbeelden
- Reden aangeven:
- Ik ben blij omdat ik geslaagd ben.
- Spaans: Estoy feliz porque he aprobado.
- Ik ben blij omdat ik geslaagd ben.
- Uitleggen waarom iets gebeurt:
- Hij gaat niet naar het feest omdat hij ziek is.
- Spaans: No va a la fiesta porque está enfermo.
- Hij gaat niet naar het feest omdat hij ziek is.
2.3 Oefening
Maak zinnen met behulp van “porque”:
- Zij blijft thuis __________ (omdat ze moe is).
- Wij zijn vroeg vertrokken __________ (omdat we niet willen verdwalen).
Antwoorden:
- Ella se queda en casa porque está cansada.
- Salimos temprano porque no queremos perdernos.
3. Gebruik van “cuando”
3.1 Definitie en functie
Het woord “cuando” betekent “wanneer” en wordt gebruikt om tijd aan te geven in relatie tot andere gebeurtenissen of acties.
3.2 Voorbeelden
- Tijdsaanduiding:
- Bel me wanneer je aankomt.
- Spaans: Llámame cuando llegues.
- Bel me wanneer je aankomt.
- Toekomstige gebeurtenissen:
- We gaan eten wanneer de film voorbij is.
- Spaans: Vamos a cenar cuando termine la película.
- We gaan eten wanneer de film voorbij is.
3.3 Oefening
Vul de gaten in met de juiste vorm van “cuando”:
- Ik ga slapen __________ ik moe ben.
- Zij zal bellen __________ ze klaar is met werken.
Antwoorden:
- me voy a dormir cuando estoy cansado/cansada.
- Ella llamará cuando termine de trabajar.
Nu we weten hoe het in Nederlands werkt, gaan we nu verder in het Spaans
1. Gebruik van “que”
In deze oefeningen gebruiken we “que” om bijzinnen te maken die extra informatie of verklaringen toevoegen aan de hoofdzin.
Oefening 1: Vertaal en maak zinnen met “que”
Vertaal de volgende zinnen naar het Spaans, gebruikmakend van “que”:
- Ik geloof dat zij Spaans spreekt.
- Hij heeft een hond die erg vriendelijk is.
- Zij zegt dat ze morgen komt.
Antwoorden:
- Creo que ella habla español.
- Él tiene un perro que es muy amigable.
- Ella dice que viene mañana.
2. Gebruik van “porque”
Met “porque” geef je redenen aan of verklaar je een actie die in de hoofdzin is vermeld.
Oefening 2: Maak Spaanse zinnen met “porque” om redenen of verklaringen te geven
- Hij is blij __________ (omdat hij een cadeau heeft gekregen).
- Wij zijn thuis gebleven __________ (omdat het regent).
- Ik eet geen suiker __________ (omdat ik gezonder wil zijn).
Antwoorden:
- Él está feliz porque ha recibido un regalo.
- Nos quedamos en casa porque está lloviendo.
- No como azúcar porque quiero ser más saludable.
3. Gebruik van “cuando”
Gebruik “cuando” om tijdsrelaties aan te geven tussen gebeurtenissen in de hoofd- en bijzin.
Oefening 3: Vul de gaten in met “cuando” en vertaal naar het Spaans
- We gaan naar huis __________ (wanneer het feest voorbij is).
- Zij komt altijd op bezoek __________ (wanneer zij vakantie heeft).
- Ik lees een boek __________ (wanneer het stil is in huis).
Antwoorden:
- Nos vamos a casa cuando termine la fiesta.
- Ella siempre nos visita cuando tiene vacaciones.
- Leo un libro cuando hay silencio en casa.
4. Schrijf je eigen zinnen
Maak drie eigen samengestelde zinnen in het Spaans met “que”, “porque” en “cuando” om je kennis te oefenen.
Voorbeelden:
- Creo que él entiende la lección. (Gebruik van “que”)
- Estoy en casa porque llueve. (Gebruik van “porque”)
- Voy a salir cuando termine mi tarea. (Gebruik van “cuando”)